Strijd met het vrije kapitaalverkeer bij ongelijke behandeling pensioenfondsen

Het Hof van Justitie heeft in haar uitspraak op 13 november 2019 met zaaknummer C-641/17 bepaald dat de ongelijke behandeling tussen ingezeten pensioenfondsen (Duitse pensioenfondsen) en niet-ingezeten pensioenfondsen bij de belastingheffing over de dividenden die de pensioenfondsen ontvangen in strijd is met het vrije kapitaalverkeer (artikel 63 en 65 VWEU) en hier geen rechtvaardiging voor bestaat.

College Pension Plan of British Columbia

In geding zijn College Pension Plan of British Columbia (hierna: CPP) en Finanzamt München Abteilun III. CPP is een niet-ingezeten pensioenfonds met als doel het verstrekken van pensioenuitkeringen aan voormalige ambtenaren van de provincie Brits-Columbia. CPP is in Canada vrijgesteld van elke belastingheffing op winsten. In de periode van 2007-2010 hield CPP indirect aandelen in het kapitaal van Duitse naamloze vennootschappen, zonder dat deze participaties meer dan 1% van het kapitaal van die vennootschappen vertegenwoordigden. De op deze ontvangen dividenden waren overeenkomstig de belastingovereenkomst tussen Duitsland en Canada onderworpen aan de Duitse kapitaalopbrengstbelasting van 15%.

Wettelijke regeling Duitsland

Een Duits pensioenfonds (hierna: ingezeten pensioenfonds) is overeenkomstig het Körperschaftsteuergesetz volledig onderworpen aan de vennootschapsbelasting. De vennootschapsbelasting bedraagt 15% van het belastbare inkomen. De dividenden die de ingezeten pensioenfondsen ontvangen zijn onderworpen aan de kapitaalopbrengstbelasting, die wordt geheven door een inhouding aan de bron van 25% van de brutodividenden. Deze ingehouden kapitaalopbrengstbelasting is in het kader van de belastingaanslagprocedure volledig verrekenbaar met de verschuldigde vennootschapsbelasting. Indien de ingehouden kapitaalopbrengstbelasting meer bedraagt dan de vastgestelde vennootschapsbelasting, wordt het overschat aan het pensioenfonds terugbetaald.

De regeling voor een niet-ingezeten pensioenfonds is echter anders. Een niet-ingezeten pensioenfonds is slechts gedeeltelijk onderworpen aan de vennootschapsbelasting. De door dat pensioenfonds ontvangen dividenden zijn kapitaalopbrengsten die onderworpen zijn aan een beperkte belastingverplichting. In het geval van een gedeeltelijk belastbaar pensioenfonds wordt de belasting geheven in de vorm van een inhouding aan de bron en moet het fonds dat de dividenden verschuldigd is aan kapitaalopbrengstbelasting inhouden die in beginsel 25% van het brutodividend bedraagt. Voor niet-ingezeten pensioenfondsen is de kapitaalopbrengstbelasting van 15% definitief.

Bestaan van een beperking in de zin van artikel 63 VWEU

Volgens de rechtspraak van het Hof strekken de maatregelen die ingevolge artikel 63, lid 1, VWEU verboden zijn omdat zij het vrije kapitaalverkeer beperken, zich mede uit tot de maatregelen die niet-ingezetenen ervan kunnen doen afzien in een lidstaat investeringen te doen, of die ingezetenen van de lidstaat ervan kunnen weerhouden in andere lidstaten investeringen te doen. Het Hof stelt dat wanneer een lidstaat dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd ongunstiger behandelt dan die aan ingezeten pensioenfondsen, vennootschappen in andere lidstaten ervan kunnen afzien om in die lidstaat te investeren. Dit vormt een beperking van het vrije kapitaalverkeer, wat volgens artikel 63 VWEU in beginsel verboden is.

Het Hof oordeelt dat wanneer dividenden aan niet-ingezeten pensioenfondsen zwaarder worden belast dan dividenden aan ingezeten pensioenfondsen, er sprake is van een minder gunstige behandeling. Dit geldt ook als dividenden aan ingezeten pensioenfondsen geheel of gedeeltelijk zijn vrijgesteld, terwijl dividenden aan niet-ingezeten pensioenfondsen definitief aan de bron worden ingehouden.

We houden kapitaalopbrengstbelasting in aan de bron op dividenden die worden uitgekeerd aan zowel ingezeten als niet-ingezeten pensioenfondsen. Echter, bij niet-ingezeten pensioenfondsen heffen we deze belasting definitief tegen een tarief van 15% van de brutodividenden, zoals bepaald in het belastingverdrag tussen Duitsland en Canada. Ook als dit pensioenfonds de ontvangen dividenden toevoegt aan haar voorzieningen. Ingezeten pensioenfondsen kunnen de belasting volledig verrekenen met de vennootschapsbelasting en krijgen het terug wanneer de aan de bron ingehouden belasting hoger is dan de verschuldigde vennootschapsbelasting. Bovendien leiden dividenden bij een ingezeten pensioenfonds nauwelijks tot winst omdat deze dividenden mogen worden toegevoegd aan de aftrekbare voorzieningen.

We vrijstellen de dividenden die aan ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd geheel of gedeeltelijk van belasting. Hierdoor behandelen we de dividenden die aan niet-ingezeten pensioenfondsen worden uitgekeerd minder gunstig, aangezien we niet-ingezeten pensioenfondsen onderwerpen aan een definitieve heffing van 15%.

Dit verschil vormt derhalve een door artikel 63 VWEU in beginsel verboden beperking van het vrije kapitaalverkeer. Er was geen sprake van een rechtvaardigingsgrond aldus het Hof.

Meer informatie: Hof van Justitie EU 13 november 2019, ECLI:EU:C:2019:960

Meer berichten

Neem contact op

Amsterdam – Kleine-Gartmanplantsoen 21
Arnhem – Willemsplein 34-2
Nederland

E info@duijntax.com
T +31 (0) 88 – 8 387 669

DTS Duijn’s Tax Solutions B.V.
Bank: Rabobank
BIC: RABONL2U
IBAN: NL64RABO0167742167