De leidraad die de Belastingdienst vorig jaar publiceerde over de cost-plus methode bevat een duidelijke boodschap voor multinationals: staar je niet langer blind op alleen het winstopslagpercentage. Hoe je de kostenbasis opbouwt waarover je die opslag berekent, is namelijk belangrijker dan je denkt.
Het kernrisico: feiten gaan boven papier
De cost-plus methode werkt prima voor routinematige groepsdiensten met een laag risico, maar alleen als de kostenbasis zuiver is samengesteld. De leidraad is hierin glashelder: contracten zijn het vertrekpunt, maar de feitelijke uitvoering weegt zwaarder dan de juridische vorm.
Wanneer een entiteit zelfstandig inkoopbeslissingen neemt, specificaties opstelt of de risico’s van grondstofprijzen beheert, moet de fiscale analyse de economische realiteit volgen. Het maakt dan niet uit wat er in het contract staat. Juist in dat gat tussen de contractuele afspraken en de dagelijkse praktijk ontstaan de meeste discussies met de fiscus.
Productie: de discussie over grondstoffen
Voor productiebedrijven zijn de belangen bijzonder groot. De keuze om grondstofkosten wel of niet op te nemen in de kostenbasis kan de uitkomst drastisch veranderen.
- Een loonfabrikant (toll manufacturer) die grondstoffen buiten de basis laat, rapporteert wellicht een hoog opslagpercentage (bijv. 25%), maar de absolute vergoeding blijft bescheiden.
- Een contractfabrikant die deze kosten wél meeneemt, hanteert vaak een lager percentage (bijv. 8%), maar ontvangt onderaan de streep een veel hogere vergoeding.
Vergelijkbare cijfers uit databases (comparables) bieden hier vaak geen panklare oplossing, omdat hun kostenstructuur niet altijd transparant is. De Belastingdienst waarschuwt dan ook expliciet voor standaard benchmarks die deze nuances over het hoofd zien.

Drie praktische risico’s om nu te beheersen
- Kostenoverschrijdingen: Extra kosten door inefficiëntie moeten bij de uitvoerende entiteit blijven liggen. De partij die de activiteiten aanstuurt en de risico’s beheert, hoort deze kosten te dragen en mag ze niet simpelweg doorbelasten aan de groep. Als je prijsmodel automatisch alle gemaakte kosten vergoedt, is dat een ‘red flag’ voor de fiscus.
- Shared Service Centres: De vereenvoudigde winstopslag van 5% voor ondersteunende diensten geldt alleen als de diensten daadwerkelijk ondersteunend zijn, niet tot de kernactiviteiten behoren en op de juiste kostenbasis zijn gebaseerd. In de praktijk passen veel groepen dit te breed toe, wat door de Belastingdienst kan worden gecorrigeerd.
- Budget vs. Actual: De bepaling van de prijs hoort gebaseerd te zijn op gebudgetteerde kosten. De stap van werkelijke kosten naar budgetten, inclusief het correct afhandelen van ’true-ups’, wordt in de praktijk nog te vaak vergeten.
Wat maakt documentatie ‘fiscaal houdbaar’?
De bepaling van de kostenbasis is onlosmakelijk verbonden met de functionele analyse. Je moet kunnen aantonen welke entiteit de risico’s beheert voor belangrijke kostenposten zoals grondstoffen. Een houdbare cost-plus positie vereist drie zaken die op elkaar aansluiten.
- Een functionele analyse die de werkelijke bedrijfsvoering weerspiegelt.
- Een kostenbasis die bewust is opgebouwd en getoetst.
- Documentatie die een gedetailleerde vergelijking met marktgegevens kan doorstaan.
Alleen een benchmarkstudie is vaak niet meer genoeg om te bewijzen dat de vergoeding zakelijk (‘arm’s length’) is.
Hoe wij je ondersteunen
Ons Transfer Pricing team adviseert multinationals op het snijvlak van strategie en naleving. Wij beoordelen de opbouw van je kostenbasis, verrichten efficiënte benchmarkanalyses en stellen documentatie op die bestand is tegen kritische vragen van de Belastingdienst. Bij geschillen bieden wij ondersteuning tijdens audits en treden wij namens jou in overleg met de fiscus.
Is je cost-plus structuur recent nog tegen het licht gehouden? We kijken graag met je mee. Neem vandaag nog contact met ons op.


