
De EU-richtlijn DAC6, geïmplementeerd in Nederland op 1 juli 2020, verplicht intermediairs en onder specifieke omstandigheden belastingplichtigen om grensoverschrijdende regelingen met een EU-koppeling te rapporteren. Binnen DAC6 speelt Wezenkenmerk B een cruciale rol. Deze blog verkent de kern, implicaties en nuances van Wezenkenmerk B in het kader van de Nederlandse wetgeving.
Wat is Wezenkenmerk B?
Wezenkenmerk B omvat regelingen waarbij belastingbesparingen een belangrijke drijfveer zijn. Deze categorie omvat:
- B(1): Het overnemen van een verlieslatend bedrijf om verliezen te benutten of verliesneming te versnellen nadat de hoofdactiviteit is stopgezet met als belangrijkste doel de belasting te verlagen.
- B(2): Regelingen die leiden tot de omzetting van inkomen in kapitaal, giften of andere vormen van inkomsten die lager belast of vrijgesteld zijn.
- B(3): Circulaire transacties die geldstromen rondleiden via tussengeschakelde entiteiten zonder een primair commerciële functie.
Grensoverschrijdende constructies onder wezenkenmerk B zijn alleen meldingsplichtig wanneer wordt voldaan aan de Main Benefit Test (hierna: MBT). De MBT houdt in dat er een belastingvoordeel wordt behaald dat het belangrijkste of een van de belangrijkste voordelen is van de regeling (meer over de MBT in deze blog ).
Wezenkenmerk B(1): Handel in verliesvennootschappen
Wezenkenmerk B1 betreft belastingontwijkingsconstructies waarbij belastingverliezen van een verlieslatende onderneming worden overgedragen of benut door een andere entiteit, vaak met als doel de belastingverplichtingen van de koper te verlagen.
Een voorbeeld van deze praktijk is het geval waarin een Nederlandse dochtervennootschap de aandelen van een verlieslatende kleindochtervennootschap verwerft en de verliezen van deze kleindochter vervolgens verrekent met haar eigen winst. Na de overdracht van de aandelen stopt de kleindochter haar activiteiten en wordt deze geliquideerd.
De verliezen van de kleindochter kunnen nu benut worden door de buitenlandse dochtervennootschap die in een ander rechtsgebied is gevestigd. Door de verliezen daar te verrekenen met haar winst, vermindert de buitenlandse vennootschap haar belastingaanslag, wat een directe belastingvoordeel oplevert.
Deze constructie kan worden aangemerkt als belastingontwijking wanneer de verliezen enkel worden benut om belasting te besparen, zonder dat er een substantiële economische activiteit aan ten grondslag ligt.
Wezenkenmerk B(2): Omzetting van inkomsten in andere categorie
Wezenkenmerk B(2) identificeert regelingen waarin bestaande inkomsten worden omgezet in vormen die fiscaal voordeliger zijn. Bijvoorbeeld de omzetting van dividendinkomsten naar belastingvrije vermogenswinsten. Het gaat hierbij uitsluitend om de omzetting van al bestaande inkomsten. De omzetting verandert de aard van de inkomsten, maar creëert geen nieuwe geldstroom.
De kernvraag is of de nieuwe kwalificatie leidt tot een lagere belastingdruk of een vrijstelling. De manier waarop “omzetting van inkomen” wordt beoordeeld, verschilt per land. In Nederland wordt de omzetting beoordeeld vanuit het perspectief van de ontvanger (zoals in bovenstaand voorbeeld, entiteit A). In andere landen, zoals Luxemburg, kan ook het perspectief van de betaler of beide partijen relevant zijn.
Een concreet voorbeeld is als volgt: Een Luxemburgse entiteit (A) bezit alle aandelen van een Nederlandse dochter (B). A heeft een lening verstrekt aan B ter waarde van €100 miljoen met een rente van 3%. In plaats van rente-inkomsten te ontvangen, besluit A de lening om te zetten in aandelenkapitaal via een inbreng in natura.
Na deze omzetting ontvangt A geen belastbare rente meer, maar dividendinkomsten die mogelijk belastingvrij zijn. Hierdoor ontstaat een omzetting van inkomen (rente naar dividend), met een potentieel fiscaal voordeel.
In dit voorbeeld wordt bestaand inkomen (rente) vervangen door een vorm van inkomen die lager belast of vrijgesteld is (dividend). Dit kan, afhankelijk van de omstandigheden, rapportageplichtig zijn onder DAC6 er ook een belastingvoordeel wordt gehaald.
Wezenkenmerk B(3): Circulaire Transacties
Wezenkenmerk B(3) richt zich op regelingen die leiden tot circulaire geldstromen, oftewel situaties waarin middelen (zoals geld, activa of aandelen) via complexe structuren of transacties uiteindelijk terugkeren naar hun oorsprong. Deze categorie omvat regelingen die misbruiken kunnen maskeren en belastingbesparingen realiseren zonder echte commerciële doeleinden.
Bijvoorbeeld: Een Nederlands bedrijf (NL BV) neemt een lening op bij een bank om een lening te verstrekken aan een nieuwe groepsentiteit in Luxemburg (LuxCo). LuxCo gebruikt de lening om preferente aandelen in NL BV te kopen. NL BV gebruikt de ontvangen kapitaalbijdrage om zijn banklening af te lossen.
Het geld dat NL BV oorspronkelijk had geleend, is volledig rondgeleid en eindigt weer bij NL BV. LuxCo functioneert als een intermediaire entiteit zonder primair commercieel doel, wat kenmerkend is voor een circulaire transactie.
Hoewel parlementaire geschiedenis de basisprincipes vastlegt, blijft de definitie van “circulaire transacties” en “tussengeschakelde entiteiten” onduidelijk, wat interpretatieverschillen veroorzaakt.
Of de transactie meldingsplichtig is hangt er ook hier van af of de belangrijkste drijfveer of een van de belangrijkste drijfveren van deze transactie een belastingvoordeel is.
Conclusie
Wezenkenmerk B illustreert hoe fiscale regelgeving en grensoverschrijdende transacties in complexe patronen kunnen samenvallen. Voor bedrijven en betrokken (hulp)intermediairs is het essentieel om hun structuren te analyseren en te voldoen aan de DAC6-verplichtingen. Door een systematische aanpak en nauwe samenwerking met adviseurs kunnen ongewenste juridische en financiële risico’s worden voorkomen.
Plan een adviesgesprek
Wilt u weten of uw constructies meldingsplichtig zijn of heeft u hulp nodig bij het voldoen aan DAC6? Neem vrijblijvend contact met ons op. DTS staat klaar om u te ondersteunen bij elke stap van het proces, van analyse tot rapportage.


