Dividendbelasting – Wanneer moet je een dividenduitkering aangeven?

Wanneer de winst van een Nederlandse BV wordt uitgekeerd aan aandeelhouders (na aftrek van vennootschapsbelasting), is het belangrijk om rekening te houden met dividendbelasting en de bijbehorende belastingaangifte. Deze belasting wordt vooraf ingehouden en afgedragen door de BV.

Afhankelijk van wie en waar de aandeelhouders zijn, wordt er al dan niet bronbelasting ingehouden. Hiervan Hieronder een beknopt overzicht van de verschillende scenario’s.

Uitkering naar natuurlijk persoon in Nederland (inhouding en aangifte)

Een dividend uit een persoonlijke holding, of uit een werkmaatschappij zonder holding, zal doorgaans naar een natuurlijk persoon worden uitgekeerd. Als deze persoon in Nederland woont, wordt er 15% bronbelasting ingehouden door de BV. Deze 15% wordt vervolgens binnen een maand (na betaalbaarstelling door de BV) aangegeven bij en afgedragen aan de Belastingdienst. De ontvanger trekt later het al afgedragen bedrag af van 24,5-33% die in Box 2 van de inkomstenbelasting moet worden betaald (tarieven 2024).

Uitkering naar natuurlijk persoon in het buitenland (vergunning, inhouding en aangifte)

In principe werkt dit hetzelfde als hierboven beschreven voor een uitkering aan een natuurlijk persoon in Nederland. Het hangt echter van het land af welk tarief er moet worden ingehouden. Dit tarief is te vinden in het belastingverdrag tussen Nederland en het land waar de ontvanger woont. Doorgaans is het tarief 10% of 15%. Al het 10% is, dat moet vooraf toestemming worden gevraagd voor het inhouden van een kleiner percentage. De Belastingdienst zal in de meeste gevallen on een ‘woonplaatsverklaring’ vragen. Na betaalbaarstelling moet net als in een binnenlandse situatie binnen een maand aangegeven en afgedragen worden.

Let op: in de woonstaat zal vaak bijgeheven worden (met aftrek van het in Nederland afgedragen verdragstarief). Hoeveel dit is, verschilt per land. Let ook op: bij uitkering naar een land zonder verdrag, of naar een inwoner die geen verdragstoegang heeft, wordt er gewoon 15% ingehouden en via de Nederlandse Box 2 tot 24,5-33% bijgeheven. Dit is vooral relevant voor aandeelhouders die in de Verenigde Arabische Emiraten (Dubai, Abu Dhabi, etc) wonen. Die hebben meestal namelijk geen verdragstoegang.

Uitkering naar holding in Nederland (geen inhouding, geen aangifte)

Een dividenduitkering van werkmaatschappij naar holding is onbelast, zolang de holding 5% of meer van de aandelen of winstrechten in de uitkerende entiteit heeft. Omdat de ontvanger geen belasting hoeft te betalen over de ontvangst van het dividend (deelnemingsvrijstelling), hoeft de uitkerende entiteit ook geen bronbelasting in te houden. Bovendien hoeft er geen aangifte te worden gedaan. (Hetzelfde geldt binnen een fiscale eenheid.)

Uitkering naar holding in het buitenland (melding of inhouding en aangifte)

Dit is de meest gecompliceerde situatie omdat de wetgever probeert om belastingontwijking via buitenlandse holdings te ontwijken. Immers: als NL BV A een dividend uitkeert aan individu B in het Verenigd Koninkrijk, dan mag het 10% inhouden, maar als uitgekeerde wordt aan holding B in het Verenigd Koninkrijk, dan zou niet worden ingehouden. Dat kost Nederland dus belastinggeld, terwijl deze constructie mogelijk alleen op papier bestaat. De aandeelhouder zou hiermee een groot voordeel kunnen verwezenlijken als het land van de holding zelf géén bronbelasting heft, en de woonstaat van de aandeelhouder geen Box 2-heffing kent. (Bijvoorbeeld: NL BV keert uit naar UK holding, keert uit naar Dubai inwoner. In die situatie loopt de Nederlandse Belastingdienst maximaal 33% Box 2-heffing mis.)

Om bovenstaande te voorkomen, gelden er anti-misbruikregels. In beginsel wordt op een uitkering naar een holding in een land binnen de EU of waarmee Nederland een belastingverdrag heeft niet ingehouden als in een binnenlandse situatie de deelnemingsvrijstelling van toepassing zou zijn geweest. Als de inhouding in een internationale situatie achterwege blijft, hoeft er geen aangifte te worden gedaan, maar er dient wel opgaaf te worden verstrekt, ook binnen een maand na betaalbaarstelling van het dividend.

In zogenaamde misbruiksituaties moet er wel worden ingehouden. De meest voorkomende is een ‘kunstmatige constructie met als een van de hoofddoelen de heffing van belasting bij een ander te ontgaan’. Duidelijk is dat deze test subjectief is. Wat is kunstmatig, hoe stel je iemands ‘hoofddoel’ vast? Daarom is er ook een objectieve test in de wet opgenomen. Als een buitenlandse holding voor deze test slaagt, dan is het uitgangspunt dat er geen sprake is van misbruik. Als de holding ‘zakt’ dan moet de Nederlandse Belastingdienst ervan overtuigd worden dat er een ‘geldige zakelijk reden’ voor de structuur bestaat en het ontgaan van belasting bij een ander niet ‘een van de hoofddoelen’ is.

De objectieve test draait om ‘substance’ – fysieke aanwezigheid in het land waar de holding gevestigd is. De hele test is te uitgebreid voor deze blog, maar denk aan: bankrekening in dat land, boekhouding in dat land, bestuur in dat land, serieuze payroll in dat land, vaste kantoor- of bedrijfsruimte in dat land. Een lege holding (‘een ‘hol ding’, zoals het fiscale grapje luidt) volstaat dus niet. Om deze reden is het voor kleine en middelgrote ondernemingen vaak niet aan te bevelen om een holding te hebben in een land waar noch de feitelijke onderneming zelf, noch de uiteindelijke aandeelhouders gevestigd zijn.

Als er in een internationale situatie wel moet worden ingehouden, dan moet er ook binnen een maand na betaalbaarstelling worden afgedragen aan de Nederlandse Belastingdienst.

Meer berichten

Neem contact op

Amsterdam – Kleine-Gartmanplantsoen 21
Arnhem – Willemsplein 34
Nederland

E info@duijntax.com
T +31 (0) 88 – 8 387 669

DTS Duijn’s Tax Solutions B.V.
Bank: Rabobank
BIC: RABONL2U
IBAN: NL64RABO0167742167