De potentiele afschaffing van de dividendbelasting deed in Nederland veel stof opwaaien.
Contact Lisbeth de Laet

Belastingplan 2018

Op Prinsjesdag presenteerde het nieuwe kabinet het Belastingplan 2018. Dat ontlokte de afgelopen maanden vele discussies en verwarring. Hier vindt u een overzicht van de fiscale veranderingen die per 1 januari 2018 ingaan.

Inkomstenbelasting
Loonbelasting
Vennootschapsbelasting
Dividendbelasting
Omzetbelasting
Milieubelasting
Autobelastingen
Heffing&Invordering
Overigemaatregelen

Inkomstenbelasting

De aanslaggrens voor inkomstbelasting stijgt met de ingang van 2018 met 1 Euro, wat neerkomt op €46.

Box 1

In tegenstelling tot eerdere berichtgeving, behoudt het systeem van belastingheffing in box 1 vier schijven. De eerste schijf, die een totaal tarief (belastingtarief + premie volksverzekeringen) van 36,55% heft, geldt voor inkomen tot en met €20.142. Inkomen dat dat bedrag overschrijdt, maar niet meer dan €68.507 bedraagt, valt onder de tweede of derde schijf. Beide schijven kennen eenzelfde totaaltarief, namelijk 40,85%. De laatste schijf heft dan 51,95% over inkomens die hoger liggen dan €68.507.

Box 2

Het tarief voor box 2 blijft voorlopig 25%

Box 3

Ook de vermogensrendementheffing van box 3 blijft voorlopig onveranderd. Wel verandert de drempel voor heffingsvrij vermogen. Die ligt nu op €30.000 in plaats van €25.000. De grondslaggrens voor de eerste schijf daalt dan weer. Vermogen tussen €70.800 en €978.000 (in plaats van €75.000 tot €975.000) valt onder de eerste schijf. Vermogen dat daarboven ligt, wordt tot de tweede schijf gerekend.

Forfaitair rendement

Het nieuwe kabinet past eveneens de tarieven voor het forfaitair rendement aan. Voor schijf 1 is dat nu 2,02%, voor schijf 2 4,33% en voor schijf 3 5,38%.

Arbeidskorting

Ook de arbeidskorting wordt geleidelijk afgebouwd tot nihil. Daarom komt de korting voor arbeidsinkomen boven de €33.112 neer op maximum €3.249, verminderd met 3,6% van dat arbeidsinkomen.

Giftenaftrek

Giften die geen periodieke uitkeringen zijn, gaan gepaard met een drempel van €60. Als dat meer is, geldt een drempel van 1% van het verzamelinkomen, voordat de vermindering met de persoonsgebonden aftrek plaatsvindt. Bovendien mogen dergelijke giften maximum 10% van het verzamelinkomen bedragen. Dat inkomen horen fiscale partners overigens samen te voegen met deze andere giften.

Giften in de vorm van een kostenvergoeding kunnen onder bepaalde voorwaardendoorgaan als aftrekbare gift.

De regeling met betrekking tot de mogelijke aftrek voor giften aan culturele instellingen blijft nog een jaar langer gelden. Pas na een definitieve beslissing in 2019 is het mogelijk dat deze wegvalt.

Willekeurige afschrijving milieubedrijfsmiddelen

Ondernemers die investeren in bedrijfsmiddelen van de Milieulijst, kunnen tot €25 miljoen van die kosten willekeurig afschrijven. Dat geldt over 75% van die aanschaffings- en voortbrengingskosten, verminderd met de restwaarde. De 25% die resteert, valt onder het gebruikelijke afschrijfregime. Voor investeringen in andere bedrijfsmiddelen kunnen ondernemers een bedrag van de winst over dat jaar aftrekken.

Energie–investeringsaftrek

Het aftrekpercentage voor energie-investeringen zal per 2018 54,5% bedragen voor investeringsbedragen tussen  €2.500 en €121 miljoen. Als een ondernemer opteert voor deze aftrek, verliest hij evenwel zijn recht op de milieu-investeringsaftrek en andersom.

Loonbelasting

Werkbonus

Sinds 1 januari 2015 bouwt het kabinet de wekbonus af. Per 2018 verdwijnt die definitief.

S&O-afdrachtvermindering

Het S&O-voordeelpercentage voor de tweede schijf stijgt tot 16% (in plaats van 14% in 2017). De ondergrens van die schijf blijft wel liggen op €350.000.

30%-regeling

Wanneer buitenlanders in Nederland in werken, krijgen we vaak te maken met bijkomende ‘extraterritoriale’ kosten. De Nederlandse werkgever krijgt de mogelijkheid om die kosten te vergoeden zonder dat daarop belasting wordt geheven. De werkgever kan in plaats daarvan echter ook kiezen om 30% van de loon, inclusief de vergoeding voor de extraterritoriale kosten, belastingvrij uit te keren. Deze 30%-regeling is evenwel alleen mogelijk na toestemming van de Nederlandse belastingdienst. Die beperkt nu de toepassing ervan. Om in aanmerking te komen, moeten expats per jaar minstens €37.296 (€37.000 in 2017) bruto verdienen. Alleen voor buitenlanders onder de 30 jaar die in het bezit zijn van een masterdiploma ligt de salarisdrempel lager, namelijk op €28.350 (€ 28.125). De enige uitzondering daarop zijn wetenschappelijk onderzoekers. Aan hen legt de belastingdienst geen norm op.

De andere vereisten blijven ongewijzigd. Ten eerste gaat het alleen om werknemers met een dienstbetrekking in een Nederlandse groepsvennootschap. Twee jaar voor zijn/haar overplaatsing naar het Nederlandse vennootschap, moet de werknemer zelf op minstens 150km van de Nederlandse grens gewoond hebben. Daarenboven moet onder meer het salaris van de werknemer ervan getuigen dat die over de nodige ‘specifieke deskundigheid’ beschikt. Ten slotte hoort werkgever een in Nederland geregistreerde inhoudingsplichtige te zijn

Vennootschapsbelasting

Eerder deelde het nieuwe kabinet mee dat het tarief van de vennootschapsbelasting zou dalen. Dat blijkt nu niet het geval te zijn. Evenmin verandert de bovengrens van het lagere schijftarief. Die blijft met andere woorden liggen op €200.000.

Tarief innovatiebox

Over winsten uit innovatieve werkzaamheden zal de belastingdienst voortaan 7% in plaats van 5% heffen.

Dubbele zakelijkheidstoets

Verder breidt Rutte III de antiwinstdrainageregeling uit. Die geldt voortaan ook voor bedrijven die een lening aangaan bij een verbonden lichaam wanneer die transactie verdacht wordt van winstdrainage. Meer specifiek gaat het dan om indirecte derdenleningen. Een bedrijf leent dan van een verbonden lichaam. De schuld die daarbij ontstaat, is in feite echter verschuldigd aan een onafhankelijke derde. Dat is onder meer het geval voor dividenden, geleend kapitaal of deelnemingsacquisities die verschuldigd blijven. Als de lening inderdaad verband houdt met zo’n ‘besmette’ handeling, kan het bedrijf in kwestie de betaalde rente niet meer aftrekken. Bovendien leidt die winstdrainage tot een rechtshandeling. Daarom zal elk bedrijf dat zo’n indirecte derdenlening aangaat, moeten aantonen dat winstdrainage niet de motivatie voor die lening was. Wanneer de acquisities en de daarmee verbonden schulden wel degelijk resulteren uit zakelijke drijfveren, betekent dat echter nog niet dat dat ook het geval is voor de daarmee verbonden rechtshandeling. Bijgevolg legt Rutte III nu een dubbele zakelijkheidstoets op. De schuldenaar zal vanaf 2018 dus de zakelijke overwegingen voor zowel de schuld als de rechtshandeling afzonderlijk moeten aantonen. Alleen dan is de rente fiscaal aftrekbaar.

Dividendbelasting

De potentiele afschaffing van de dividendbelasting deed in Nederland veel stof opwaaien. 19 december 2017 nam de Eerste Kamer een definitief besluit over de veranderingen met betrekking tot de inhoudingsplicht en de inhoudingsvrijstelling. Aangezien die het behoudt van de dividendbelasting veronderstellen, resulteren de veranderingen in een herziening van de huidige dividendbelasting, geen afschaffing.

Dat laatste blijft evenwel mogelijk. Aangezien de afschaffing van de dividendbelasting een wetvoorstel is van de nieuwe regering Rutte III en geen verandering voorgesteld door de oude regering, zal Rutte III ook pas na de ingang van 2018 het wetsvoorstel kunnen behandelen. Als de plannen werkelijkheid worden, zal dat pas ten vroegste gebeuren bij de ingang van 2019. Meer informatie hierover vindt u in de onze blog over de dividendbelasting.

Houdstercoöperatie

Per 2018 verdwijnt het verschil tussen vennootschappen en houdstercoöperaties. Eerder al gold dividendbelasting voor gerechtigden over de opbrengst uit aandelen in, winstbewijzen van en hybride leningen aan besloten of naamloze vennootschappen. Die inhoudingsplicht geldt nu eveneens voor Nederlandse houdstercoöperaties. Dat betekent dat nu ook iedereen aan wie winstuitkeringen toekomen van kwalificerende lidmaatschapsrechten in Nederlandse houdstercoöperaties dividendbelasting zal moeten betalen. Zo’n kwalificerend lidmaatschapsrecht houdt in dat de bezitter ervan een belang van minstens 5% in de houdstercoöperatie bezit.

Inhoudingsvrijstelling

Anderzijds breidt de regering ook het bereik van de inhoudingsvrijstelling uit. Voor derde landen die met Nederland een volledig (belasting)verdrag sloten dat een dividendregeling behelst, geldt voor de daar gevestigde maatschappij de inhoudingsvrijstelling. Deze maatregel is met andere woorden een verscherping van de bestaande antimisbruikregelingen.
Bovendien is de vrijstelling niet van toepassing op kunstmatige constructies of transacties die het ontduiken van de Nederlandse dividendbelasting voor ogen hebben. Om dergelijk misbruik na te gaan, eist de regering dat de schakelende tussenhouders voldoen aan de relevante substance-voorwaarden. Die eisen dat voldoende loonkosten toekomen aan de schakelfunctie en dat die ook effectief gebruik maken van een eigen kantoorruimte.

Informatieverplichting

Wanneer inhoudingsplichtige vennootschappen onterecht gebruik maken van de inhoudingsvrijstelling voor dividenden uitgekeerd aan een buitenlandse opbrengstgerechtigde, zijn ze verplicht die actie op verzoek te verklaren aan de belastingdienst. Tevens geldt er van 2018 een meldingsplicht voor ontvangers van uitgekeerde dividenden wanneer die ontvangers niet in Nederland gevestigd zijn.

Omzetbelasting

Geneesmiddelen

Eerder verlaagde de regering al het btw-tarief op geneesmiddelen. Nu verfijnt ze de invulling van de medicijnen die onder de noemer vallen. Alleen producten die beantwoorden aan de in de Geneesmiddelwet gestipuleerde (parallel)handelsvergunning of vrijstellingen komen in aanmerking voor de 6% btw-heffing. Die lijst is te raadplegen via de openbare Geneesmiddeleninformatiebank.

Landbouw

De landbouwsector is niet langer vrijgesteld van btw. Per ingang van 2018 zullen land-, bos-, tuinbouwers en veehouders btw betalen over de diensten en leveringen die ze verstrekken. Daarenboven zal ook het btw-tarief stijgen voor verschillende producten met de landbouwsector als afzetmarkt. De regering komt de landbouwsector wel tegemoet. Vanaf 2018 heeft die namelijk recht op aftrek van btw op hun kosten en investeringen. Verder komen landbouwers die onder de kleineondernemersregeling vallen in aanmerking voor btw-verminderingen. Bij volledige vermindering is het dan mogelijk om bovenop het nultarief een ontheffing van administratieve verplichtingen aan te vragen.

Milieubelasting

Storten en/of verbranden van afval

Het verbranden en storten van afval wordt in de toekomst meer belast, onafhankelijk van waar het Nederlands afval wordt verwerkt. Zo zal de belastingdienst dus ook belasting heffen op de export van afval voor afvalverbranding. Alleen afval dat gerecycleerd wordt, valt daar niet onder.

Energiebelasting

Onder de energiebelasting zal vanaf 2018 het tarief voor aardgas en kolen stijgen. Zo zullen bedrijven en huishoudens gedurende twee jaar meer belasting betalen op aardgas en kolen. Anderzijds komt er wel een verlaging van het belastingtarief voor elektriciteit om zo duurzame energie te promoten.

Bovendien breidt de regering de stadsverwarmingsregeling uit naar installaties op basis van aardwarmte of biomassa. Om die uitbreiding te dekken, neemt het blokverwarmingstarief tijdelijk toe.

Leidingwater

Ook het tarief voor leidingwater zal tijdelijk stijgen. In 2018 heft de belasting €0,339 per kubieke meter.

Autobelastingen

Tarieven

Voor personenauto’s vindt een tariefverlaging plaats. In 2018 bedraagt het BPM-tarief dan 4,41%. Bovendien baseert de autobelasting zich ook op de CO2-uitstoot van de betreffende personenauto’s. Zo stijgt bijvoorbeeld de toeslag voor dieselmotors van €86,69 naar €87,38. Ook de motorrijtuigenbelasting kent een correctie van 0,8% in 2018. Voertuigen met 0 gr/km-uitstoot zijn dan weer vrijgesteld zijn van BPM-belasting tot en met 2020. Dat is evenwel niet het geval voor plug-in hybride personenauto’s.

Catalogusprijs BPM

Bij aanvang van 2018 maakt de fabrikant of importeur de catalogusprijs van een auto publiekelijk bekend. Het is dan ook die prijs die de basis vormt voor bijtelling in de loon- en inkomstenbelasting.

Vrijstelling bestelwagens

Voor bestelwagens zijn ondernemers in 2018 nog steeds BPM verschuldigd als de BPM-vrijstelling binnen vijf jaar (dus voor het einde van 2022) vervalt. In dat geval berekent u de verschuldigde BPM op dezelfde manier als voor gebruikte bestelwagens. Voor die berekening van de BPM hoort de afschrijving de basis te zijn om de afschrijving te bepalen. Dat is evenwel alleen zo voor voormalige bestelauto’s die omgebouwd werden tot een personenauto (waardoor een bpm-schuld ontstaat) en voor geïmporteerde bestelauto’s, geregistreerd in Nederland. Die laatste vallen onder de ondernemersvrijstelling en horen binnen de 5 jaar weer verkocht te worden.

Heffing & Invordering

Algemene heffingskorting voor box 1

Voor inkomen tot en met €20.142 heeft de Nederlandse belastingplichtige recht op €2.265 heffingskorting. Die korting daalt met 4,682% van het belastbare inkomen dat boven die grens ligt. Zo is het mogelijk dat de algemene heffingskorting uiteindelijk op nihil neerkomt.

Voorts startte in 2009 de afbouw voor de uitbetaalbaarheid van de algemene heffingskorting aan de partner met het laagste inkomen onder box 1. In de loop van 15 jaar daalt die met 6,67% per jaar. In 2018 zal de belastingdienst met andere woorden maximum 33,33% heffingskorting uitbetalen aan de partners die het minst verdienen.

Overige maatregelen

10%-regeling

De voormalige 10%-regeling keert in 2018 terug voor ex-partners of ex-medebewoners wanneer hun looninkomsten toenam na hun vertrek. Dat resulteerde voorheen in een verlaagde toeslag over de periode waarin de partners (of bewoners) nog samen woonden. Dankzij de 10%-regeling kan de inkomststijging op verzoek buiten beschouwing worden gelaten in bepaalde gevallen.

Tabaksaccijns

Met het oog op de gezondheid van de volgende generaties Nederlanders, stijgt de tabaksaccijns. Dat gebeurt niet op 1 januari, maar pas vier maanden later; op 1 april 2018.

Accijns van minerale oliën

Een verhoging van de accijns geldt per 1 januari al wel voor alle minerale oliën. De stijging gebeurt met een indexfactor van 1,008. Bij brandstoffen, daarentegen, stijgt alleen het tarief voor benzine. Dat bedraagt dan €0,78 per liter.

Hebt u nog vragen over het Belastingplan 2018 of over belastingen in het algemeen, dan kan u steeds contact met ons opnemen.