Belastingplicht voor buitenlandse aanmerkelijkbelanghouders

In dit blog wordt aandacht besteed aan de buitenlandse aanmerkelijk-belangregeling (hierna: AB-regeling). Het AB-regime is vastgelegd in art. 17 lid 3 sub b Wet Vennootschapsbelasting en art. 1 lid 7 Wet op de dividendbelasting. De afgelopen jaren is deze regeling verder aangescherpt. In dit blog worden de voornaamste wijzigingen op een rij gezet, zodat u weet waar u op moet letten. Alvorens daarmee te beginnen, wordt eerst de achtergrond van de buitenlandse AB-regeling kort besproken.

Achtergrond buitenlandse AB-regeling

We spreken van een aanmerkelijk belang wanneer een (rechts)persoon 5% of meer van de aandelen van één vennootschap bezit. Ook wanneer een (rechts)persoon minimaal 5% of meer van de winstbewijzen, opties of stemrechten van een rechtspersoon bezit is sprake van een aanmerkelijk belang. Over de inkomsten uit een dergelijk aanmerkelijk belang dient belasting te worden betaald. Voorheen kon de belastingheffing over die inkomsten eenvoudig worden omzeild. Om te voorkomen dat AB-heffing wordt ontgaan in de inkomstenbelasting heeft de Nederlandse wetgever de buitenlandse AB-regeling ingevoerd. Op basis van deze regeling moet worden getoetst of door de buitenlandse vennootschap, in de hoedanigheid van aandeelhouder van een Nederlandse vennootschap, daadwerkelijk Nederlandse belasting wordt omzeild.

Basis huidige buitenlandse AB-regeling

Aan de hand van twee toetsen, de ontgaanstoets en de ondernemingstoets, wordt bepaald of daadwerkelijk sprake is van belasting omzeiling door een buitenlandse vennootschap. Bij de ontgaanstoets wordt gekeken of de buitenlandse vennootschap het aanmerkelijk belang in de Nederlandse vennootschap houdt met als hoofddoel (of één van de hoofddoelen) de heffing van belasting te ontgaan. Indien dat het geval is, wordt de buitenlandse vennootschap aangemerkt als buitenlands AB-houder en is hij belastingplichtig, tenzij wordt voldaan aan de ondernemingstoets. Bij de ondernemingstoets is het van belang of het aanmerkelijk belang aan het vermogen van een onderneming kan worden toegerekend. Wanneer is voldaan aan de ondernemingstoets is de AB-regeling alsnog niet van toepassing.

Aanscherping  buitenlandse AB-regeling

De buitenlandse AB-regeling is recentelijk tweemaal gewijzigd; in 2016 en 2018. Op 1 januari 2016 is de Wet implementatie wijzigingen Moeder-Dochter Richtlijn in werking getreden, waarbij de ondernemingstoets is vervallen. Uit de toelichting blijkt echter dat de ondernemingstoets is opgegaan in de ontgaanstoets. Voorheen kon op basis van een kunstmatige constructie alsnog belasting worden ontgaan. Na de aanscherping is dat niet meer mogelijk. Daarnaast dient de directe aandeelhouder, vanaf januari 2016, voortaan aan bepaalde substance regels te voldoen indien wordt ‘geschakeld’ tussen een vennootschap bovenin de structuur en een vennootschap onderin de structuur. Van schakelen is sprake indien een tussenhoudster als het ware de vennootschap bovenin schakelt met de vennootschap onderin.  Een voorbeeld van een substanceregel is dat de helft van de bestuurders van de vennootschap in een bepaald land moet wonen. Wanneer blijkt dat onvoldoende substance aanwezig is in de schakelende vennootschap is sprake van een kunstmatige constructie. Dit heeft tot gevolg dat de buitenlandse AB-regeling doorgang vindt, waardoor meer inkomstenbelasting moet worden betaald.

Met ingang van 1 januari 2018 is de wettekst van art. 17 lid 3 sub b Wet VPB verder aangescherpt. Daarbij is verduidelijkt wanneer sprake is van een kunstmatige constructie. Uit de aangescherpte wettekst blijkt dat een constructie of transactie uit verscheidene onderdelen of stappen kan bestaan en deze als kunstmatig dienen te worden beschouwd voor zover zij niet zijn opgezet op grond van geldige zakelijke redenen die de economische realiteit weerspiegelen. Als geldige zakelijke reden wordt ook de schakelfunctie van een tussenhoudster aangemerkt. Voorts heeft de wetgever aan de al bestaande substance vereisten, twee substance vereisten toegevoegd. In de eerste plaats dient de loonkostensom van de vennootschap, afhankelijk van de locatie, maximaal 100.000 euro te bedragen en in de tweede plaats dient sprake te zijn van een eigen kantoorruimte.

Resumé
 De buitenlandse AB-regeling is de afgelopen jaren steeds verder aangescherpt. Het doel daarvan is het voorkomen van het ontgaan van AB-heffing in de Nederlandse inkomstenbelasting. Wanneer gebruikt wordt gemaakt van een ondernemingsstructuur is het van belang dat rekening wordt gehouden met de substancevereisten. Wanneer blijkt dat onvoldoende substance aanwezig is, kan de structuur worden aangemerkt als kunstmatig. Dit heeft tot gevolg dat de buitenlandse AB-regeling van toepassing is, waardoor meer inkomstenbelasting dient te worden betaald.

Heeft u vragen ten aanzien van deze regeling, neem dan gerust contact met ons op.